Chronische pijn

Pijn is een subjectieve , persoonlijke, onaangename ervaring, waarop elk mens op zijn manier reageert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen acute en chronische pijn. Acute pijn is kortdurend na een gebeurtenis, dat gevolgd wordt door een weefselbeschadiging en een waarschuwende functie heeft. Het lichaamsdeel dat pijn doet, kunnen we observeren. Chronische pijn duurt langer dan zes weken en er is vaak geen duidelijke oorzaak aanwezig. Het is meer een toestand dan een gebeurtenis en we kunnen geen lichaamsdeel observeren dat pijn doet. Er zijn verschillende factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan en in stand houden van de pijn. Aangeleerd gedrag kan een rol spelen. Angst voor het uitvoeren van activiteiten die met pijn gepaard gaan, kan worden geconditioneerd. Door deze verwachtingsangst kan de pijnsensatie versterkt worden. Verder worden bij patiënten met chronische pijn gezonde gedragingen niet meer bekrachtigd, maar juist gevolgd door negatieve consequenties, zoals het hebben van pijn. Hierdoor kan de passiviteit toenemen, waardoor de fysieke conditie afneemt. Daarnaast kan observationeel leren ook een rol spelen. Observatie van pijngedrag bij anderen kan aanleiding geven tot overeenkomstig pijngedrag. Tot slot kan ziektewinst ook een rol spelen.

Daarnaast kunnen cognitieve factoren een rol spelen. De betekenis die aan een pijnprikkel gegeven wordt, bepaalt de houding van ten aanzien van dit soort prikkels. Men kan bijvoorbeeld een waarneming (het kloppen van een hart) inbouwen in een verkeerd cognitief schema (het zijn hartkloppingen, het hart is niet in orde). Elke hartklopping wordt dan als een ziektesymptoom geïnterpreteerd, wat negatieve gevoelens oproept en een ziektegedrag afdwingt.

Iets anders dat een rol kan spelen, is dat emotionele problemen door sommigen eerder als lichamelijke (onder andere als pijn) dan als psychische symptomen worden ervaren. Dit speelt vooral een rol bij mensen die niet geleerd hebben zich emotioneel adequaat te uiten. Omdat de veroorzakende en onderhoudende factoren op verschillende gebieden liggen, zijn er verschillende therapieën mogelijk. De steunend-structurende therapie richt zich op het leefpatroon van mensen met chronische pijn. Veel mensen zijn vaak functioneel en daardoor ook sociaal beperkt en leiden daardoor een geïsoleerd leven. Ze zijn uitsluitend op hun pijn en beperkingen gericht en hebben weinig interesse voor andere zaken. Met de steunend-structurende therapie probeert men dit leefpatroon te doorbreken. Dit verrijkt het leven en secundair vermindert het pijngedrag en pijnervaring. Door het aanmoedigen van interesses en het verhogen van activiteiten en het prijzen na het uitvoeren van opdrachten en voornemens, wordt de aandacht van de pijn afgeleid en leer je relativeren. De beleving van de ziekte verandert hierdoor.

Gedragstherapie richt zich op het veranderen van het negatieve ziektegedrag door middel van het tot stand brengen van positieve consequenties. Met cognitieve therapie wordt geprobeerd foutieve veronderstellingen en interpretaties te corrigeren. Inzichtgevende therapie richt zich op het emotioneel verwerken van traumatische gebeurtenissen uit het verleden. Bij relatie- of gezinstherapie wordt gewerkt aan verandering van interactiepatronen in het gezin die pijnklachten in stand houden en versterken.